Een blanda met een goeling
Nee, ik ben geen Indo. Wat dat betreft beantwoord ik niet aan de oproep van Merel von Schimmelmann die op zoek is naar mensen van de eerste, tweede en derde generatie die een column willen schrijven over hun ervaring als Indo in Nederland.

Geen Indo dus, maar mijn familie komt wel voor een belangrijk deel uit Indië. Zelf ben ik in 1950 in Nederland geboren en wie mij ziet, kijkt tegen een gewone Hollandse kop aan. Maar door de diverse banden die bestonden heeft Indië toch een bepaalde invloed op mij gehad. Zeker in mijn jeugd was die invloed groot, onder meer omdat ik opgroeide in de 'Indische stad' Den Haag met een kring van Indische familieleden om mij heen.

Net als mijn neven en nichten heb ik me dan ook altijd iemand van de tweede Indië-generatie gevoeld. Die tweede generatie-herinneringen heb ik zo'n 15 jaar terug opgetekend. Waarschijnlijk omdat je op die leeftijd op een bepaalde manier terugdenkt aan 'vroeger'. Ik merkte ook dat mijn mede-tweede-generatiegenoten op dezelfde manier op die tijd terugkeken.

Omdat voor de vorm van een column is gekozen, lever ik voorlopig iedere week een stukje af, net zo lang tot mijn trommeltje met herinneringen leeg is. Om de titel 'Een blanda met een goeling' te verklaren zijn dat de eerste keer twee afleveringen.
En om tegelijkertijd ook maar meteen wat verantwoording af te leggen: ik weet dat het in het Maleis eigenlijk belanda is, maar ik kies voor de Hollandse variant zoals die in de Van Dale staat, zodat andere Nederlanders die geen Indische achtergrond hebben het woord toch nog enigszins goed uitspreken. En daarom staat er ook goeling en geen guling. Soedah, als we elkaar maar begrijpen.

Gerrit Jan

1.   Ons Indië
2.   Goeling
3.   Keplokken
4.   Indische roots
5.   Zakgeld in een sigarettenblikje

.

6.   Discriminatie
7.   Indisch eten
8.   Er is er nog één
9.   Een rondje om het dorpsplein
10. Maleis praten


1. Ons Indië
Thuis en in de familie werd er vroeger zoveel over gepraat. Over Indië. Het Tempo Doeloe, de Gordel van Smaragd. Het mooiste land ter wereld. Jammer dat je dat niet hebt meegemaakt jongen. Maar ja, allemaal prijsgegeven aan mensen die van hun zelfstandigheid één grote rotzooi maakten. Een handje rijst kostte nu duizenden roepia's. Hah! Tevreden knarsetandden de tantes en ooms over het lot dat de Indonesiërs had getroffen. Zij hadden toch zo graag die Soekarno gewild. En nu had die ijdele patjakker het hele land naar de knoppen geholpen. Eigen schuld, dikke bult!

Zelfs als kind zag je door die woorden heen. Uiterlijk hielden ze zich groot, maar innerlijk huilden de tantes en ooms om hetgeen Hun Land was overkomen en ook daarop was het tandengeknars terug te voeren. Want Indië was wel gezellig, maar Indië was nu ook verloren welvaart. Bijna allemaal waren ze er geboren en getogen, dus dat verre land had hen gevormd. En iedere keer als we bij familie op bezoek gingen hoorde ik de verhalen. Over het Indië van voor de oorlog, het Indië dat toen een paradijs op aarde was. Zelf was ik er nooit geweest, maar je groeide er in op en of je wilde of niet, je werd toch doordesemd met Indië. Ook ik hield daarom van de plekken waar zij hadden gewoond. En als zij Indië misten, miste ik het een beetje met hen mee.

Den Haag, dat zich indertijd nog graag 's-Gravenhage mocht noemen, was voor het Indië-gevoel de ideale omgeving om in op te groeien. Den Haag, met recht een Indische stad. Daar zaten immers alle mensen die uit Indië kwamen, dacht ik als kind. Want zo was dat toen. Bijna alle tantes en ooms woonden er en je hoefde maar buiten te lopen om Indische mensen tegen te komen. In de klas zaten Indische kinderen en mijn buurjongens waren ook Indisch. Nee, alle mensen die uit Indië kwamen woonden in Den Haag lekker gezellig bij elkaar.

Het èchte Indië-gevoel: de Pasar Malam in de Houtrusthallen. Daar stapte je een andere wereld in en keek je je ogen uit. Standjes met eten (veel eten), mensen in klederdracht, Indische muziek en kijk, een man die een soort conférence hield in het Maleis. Zelf kon ik het niet verstaan, maar de mensen om mij heen lachten er hartelijk om, dus was het leuk. Op de Pasar Malam was het één grote familie. Daar zag je ook veel bekenden. En er hingen herinneringen die voor mij met het begrip 'vroeger' verband hielden, maar voor anderen nog zo vers waren.

In de jaren vijftig en zestig was de Indië-sfeer nog volop aanwezig, maar in de jaren zeventig ebde het toch al wat weg. Ach ja, nog één keer kwam dat terug. Die avond dat ik de televisie aanzette en daar bij toeval de eerste Late Late Lien Show zag. Meteen pa en ma opgebeld, maar die waren niet thuis. En we hadden nog geen video, dus opnemen was er ook niet bij. Jammer, jammer. Want die eerste aflevering was toch veruit de beste van allemaal, dacht ik. Maar zo'n gevoel wordt misschien veroorzaakt door de verrassing van de eerste keer.

Indië in Nederland. Als je bij de mensen thuis kwam zag je ook altijd dat ze er vandaan kwamen. Schilderijen, foto's, Balinees houtsnijwerk, een kris aan de muur. En ruik maar; ruik je? Ja, je ruikt het in het hele huis: Indië, dat kan niet missen.
 

Naar boven



2. Goeling
De oudste foto ervan is toen ik twee jaar was. Ik lig op bed, met mijn pasgeboren zusje naast me en met mijn hoofd op m'n goeling: een rolkussen dat je naast je in bed legt. Daar kun in warme nachten zo lekker verkoeling bij zoeken door er je arm en je been omheen slaan. En tijdens koude nachten is de goeling natuurlijk lekker warm tegen je aan.
Mijn ouders sliepen met een goeling; dat hadden ze aan het Indische leven overgehouden. En van jongs af aan hebben mijn zus en ik er ook een gehad. Nog altijd slapen we ermee: pa, ma, Ineke en ik.

Zo lekker, een goeling. Heerlijk tegen je aanduwen, dat zachte rolkussen gevuld met kapok. Die kapok vergruisde, verstofte helemaal, zodat je na een paar jaar een slap kussenvelletje overhield met nog een plukje stevigheid erin. Dan haalde ma nieuwe kapok en vulde de goeling weer. Een vies stoffig werkje, want het oude goedje was werkelijk helemaal vergaan en één groot stofnest geworden. De nieuwe kapok was heerlijk om je handen diep in weg te drukken. Zo zacht, zo koel, die zaadpluisjes. Indisch dons. Jammer als het in de goeling verdween, dan kon je er niet meer bij.

Vriendjes wezen wel eens, vragend wat dat nu wel was, mijn goeling. Lijkt me lekker, zeiden ze als ik het had uitgelegd en ze er uitgebreid in hadden geknepen. Dat verdween toen ik ouder werd. "Slaap jij nog met die goeling?" vroegen ze dan, lacherig doend over mijn bedpartner. Ze deden maar. Ik vond het prettig en daarmee uit.

Als ik ergens logeerde ging de goeling mee, anders kon ik niet slapen. Want dan lag die ene arm maar gek naast me, zo nergens omheen. Iemand die plotseling stopt met roken kent dat verschijnsel ook. Op bepaalde momenten grijp je naar iets wat er niet is en daar sta je dan met die onwennige lege handen.
De eerste vriendin die bij me bleef slapen zag in goeling een concurrent, wat wel enigszins klopte. Want met z'n drieën in een eenpersoonsbed was wat teveel. Dat kussen eruit of ik eruit, zei ze en ik maakte flink een keuze waarvan ik aanvankelijk totaal geen, maar later die nacht toch wel slapeloze spijt had. Maar ja, wie van twee walletjes wil eten wordt vroeg of laat toch gestraft, zei mijn moeder altijd.

Toen ik verkering kreeg met Toos maakte ik wekelijks een reis naar Den Bosch, waar ik in het weekeinde bij haar thuis bleef slapen. "Jongen, wat neem jij toch allemaal mee?" vroeg haar moeder, die me keer op keer met een grote weekendtas zag sjouwen. Dus goeling getoond en weer een verklaring gegeven. Toos' zussen dromden een beetje giechelig samen om dat wat ze als een 'bedgeheim' van me zagen. De broers noemden het woord niet, maar lieten duidelijk blijken me een soort duimelottend mietje te vinden. Zíj hadden zoiets niet nodig om in slaap te komen, zeiden ze flink. Nog maanden erna mochten ze het onderwerp tijdens feestjes graag ter sprake brengen.

Tot ik op een ochtend bij Peter op de kamer kwam om hem wakker te maken. Peter sliep met twee kussens, dat deed broer Jo ook. Ik had daar nooit bij stilgestaan, maar nu zag ik dat hij in zijn slaap een van de kussens wat naar beneden had getrokken en deze met zijn naar boven gestrekte armen stevig omklemde. O, wat een duidelijk zielig Hollands equivalent van mijn goeling. Zowel bij Peter als bij Jo trok ik met een uit wraak opgebouwd genoegen de dekens weg en wees hen nadrukkelijk op hun kussens. Naderhand nooit meer last gehad op feestjes.

Ook Toos heeft 'm inmiddels helemaal geaccepteerd, mijn goeling. Jarenlang vond ze het stilletjes een enigszins vreemd ding, maar toen ze voor de eerste keer in verwachting was veranderde dat. Steeds vaker trok ze tijdens haar slaap 's nachts zachtjes mijn goeling weg. Bij een van mijn worstelingen om behoud werd ze wakker.
"Waarom pak jij m'n goeling af?"
"Als steuntje voor m'n buik. Die wordt zo zwaar."
"Dan pak je toch iets anders."
"Ik heb niks anders, en de goeling is precies goed."
In de hoop dat het een tijdelijke zaak zou zijn gaf ik toe en leefde 's nachts met twee kussens. Maar na de bevalling veranderde er niets. De gewenning had toegeslagen en er zat voor Toos niets anders op dan voor zichzelf een kussentje te maken. Want die goeling moest terug.
De goeling; mijn goeling. Hij geeft aan hoe Indisch een Hollandse jongen kan zijn. Uiterlijk een niet-Indische kaaskop. Maar dan toch wel een die regelmatig zijn onzichtbare bindingen met Indië omklemt. Een blanda met een goeling.

Naar boven

 


3. Keplokken

De Indische Nederlander kende vele ooms en tantes. Die kring was groot. Niet alleen vanwege de familiebanden, maar ook omdat het begrip kennissen nauwelijks werd gehanteerd. Vrienden werden in de familie opgenomen en daarmee automatisch oom of tante. Voor een kind was niet duidelijk hoe de relaties echt lagen, maar dat maakte niets uit. En makkelijk was het ook, want als je ergens binnenkwam kon je zonder voorbehoud de hele kring rond om te zoenen. Niks opletten wie geen echte tante was om daar een hand aan te geven, ben je gek. Gewoon zoenen. Twee, op iedere wang één.

Ook daarin onderscheidden de Indische mensen zich. Zo een Hollander al overging tot Een Zoen, dan was dit een voorzichtig enkelvoudig exemplaar op 1 (schrijve: één) wang. Nee, dan bij ons.
"Adoe seg. Kom eens hier bij tante. Ik heb nog geen soen van jou gehad, weet je."
Keplok! Keplok! Twee. Op iedere wang een stevige, welgemeende pakkerd. Dat was echt, dat was warm, dat was gezellig.


Ook later gaf dat voordelen, want ieder - al dan niet echt - nichtje kon je op die intensieve wijze begroeten. En ook bij hun vriendinnen die regelmatig over de vloer kwamen, keplokte je er na enige tijd zonder terughouding op los. Die warme Indische band, hè? Ja, ja. En omdat de Indische sfeer ruimschoots aanwezig was in Den Haag had je toch al sneller wangcontact met de meisjes die je ontmoette.

Hoe anders lag dat elders. In de zomer van 1971 leerde ik Toos kennen die met zus Ria in Kijkduin kampeerde. Vanwege de verkeringssfeer die ontstond, zocht ik haar na de vakantie op in Den Bosch. Omdat het gezin zes dochters en drie zoons telde stond de ontvangst aanvankelijk in het teken van 'weer een nieuwe vrijer over de vloer'. Niks bijzonders, ze hadden er al zo velen zien komen en gaan. Maar toen Ria binnenkwam en ik haar twee keplokken ter herkennende begroeting gaf, trad er bij de overige gezinsleden enige verstarring op. Dat ik Toos wangfysiek had begroet, daar konden ze nog inkomen, maar met Ria had ik toch geen verkering? Of was er tijdens de vakantie iets gebeurd was ze was ontgaan? En niet één, maar twéé zoenen, zag je dat?

Door gewenning afgestompt had ik zelf helemaal niet in de gaten dat ik grenzen overtrad die anderen kennelijk scherp trokken. En om te laten blijken dat ik me bij hen echt thuis voelde, begon ik binnen enkele weken ook de andere zussen van Toos - die er best fris uitzagen - te zoenen. Niks geen gekkigheid natuurlijk, gewoon uit warme hartelijkheid. De zussen vonden het niet erg, maar broer Jo werd het op een gegeven moment allemaal te veel en riep met schrille stem dat 'ie "zo wel weer kon". De buurt sprak er over en de zussen hadden al praktisch allemaal verkering, dus het was nergens voor nodig.

Het waren toen duidelijk andere tijden. Een tweevoudige zoen werd buiten het Haagse circuit kennelijk nog als een oneerbare openingszet gezien en één was al kantje boord.
Toen een aantal jaren later - gestimuleerd door de televisie - algemeen de drievoudige keplok werd toegepast, was Jo er indertijd als een van de eersten bij. "Zo zijn we dat in Brabant gewend," zei hij ruim. M'n hoela. Ik weet wel beter, Jo. Pas toen het zoenen in het openbaar gemeengoed werd hebben ze er in Brabant gauw een schepje opgegooid. Ja, leer mij ze kennen.

Voor mij persoonlijk hoeven die drie niet. Eén is aardig (een keurig verpakt karbonaadje bij de slager), twee iets extra's waaruit warmte spreekt ("...èn een stukje worst voor de kleine"), maar drie is gewoon schrokkerigheid ("Vijf kilo karbonade in de reclame? Geef maar mee, dan pletter ik het thuis wel in de vriezer"). Nee, ik houd het het liefst bij twee.

Naar boven


4. Indische roots
In 1912 vertrok opa vanuit Zelhem naar De Oost. Naar ik heb begrepen liep het hele dorp (plusminus honderdtweeënvijftig zielen) hiervoor uit. Iemand die in die tijd naar Indië ging, beschouwde men als verloren. Zeker in een plaats als Zelhem, want wie bij tijd en wijle in het zeven kilometer verderop gelegen Doetinchem kwam was al een buitenbeentje. Gerrit Jan, die in de Zelhemse brassband Union de trombone bespeelde, zou nu overzee zijn partijtje meeblazen, zo heerste de trotse gedachte. Maar terugzien deed je hem natuurlijk nooit, dat gebeurde niet met zulke avonturiers. Het opstandige Atjeh lag nog vers in het geheugen.

Overgrootmoeder, die besefte dat zij heel wat wilde jongens had voortgebracht, kon lange tijd niet bevatten dat juist Gerrit - toch algemeen als de rustigste en verstandigste van het hele stel gezien - zoiets deed.

Van de reis is een foto bewaard gebleven, genomen op de boot. "Koningin der Nederlanden in Genua 3.7.1912" heeft de fotograaf aan de onderkant geschreven. Het poststempel van Port Said dateert van 9 juli, dat van Zelhem van 16 juli. Iedereen die in de vakantie een kaartje vanuit Spanje stuurt weet dat dit een prestatie is die vandaag de dag nog maar zelden wordt overtroffen.

 

Op de foto kijken de Indiëgangers - met opa als tweede van links op de achterste rij - het thuisfront vertrouwenwekkend aan. Twee djongos, die kennelijk bij een gezin horen, zitten gehurkt op de voorgrond. Witte hemden en broeken hebben ze aan, en zo'n doek om het hoofd.

Dat is waar. Indische mensen konden altijd zo goed gehurkt zitten. Voeten ietsje gespreid, billen vlak boven de grond, alles in een perfect evenwicht dat uren kon worden volgehouden als het moest. Die hadden helemaal geen stoel nodig. Ik heb daar altijd een mateloze bewondering voor gehad. Het leek me zo makkelijk om te kunnen en ach, hoe graag had ik dat ook gedaan, maar ik hoefde het helemaal niet te proberen. Kukelde meteen om. Of kon het alleen op de bal van m'n voorvoet, nooit platte voeten. Europeanen zijn daar niet op gemaakt, denk ik. Slechts sommigen kunnen het, maar nooit zo lang.

Nee, Indische mensen wel, die waren toch al helemaal zo lenig gebouwd. Weet je toch wel, van die Indische duim? Kijk maar naar Indische mensen. Als ze 'm strekken vormt hun duim bijna een half hoepeltje. Die kunnen ze ook helemaal achterover tegen hun pols aandrukken. Hollandse duimen zijn recht, met een soort wipneuseffect aan het eind.

Het waren toen toch wat andere tijden, want in feite was opa op de bonnefooi naar Indië gegaan. Een oud-dorpsgenoot, die daar al langer zat, had geschreven dat hij maar moest komen, omdat er toch genoeg werk was. En inderdaad, toen opa in Semarang van de boot stapte kon hij zo uit drie banen kiezen. Later ging hij naar Bandoeng, waar hij oma ontmoette. Als ik naar de foto's van haar kijk vind het toch een knappe vangst van hem. Omdat ik hemzelf nou niet meteen... maar ja, alle mannen uit die tijd hadden al gauw iets kaalkopperig oninteressants.

In 1918 werd tante Wies geboren. Een gezinsuitbreiding die opa het huis Wiesje deed bouwen. Want hij was architect/aannemer. Vier jaar later kwam daar mijn vader bij, en opa (die de zaken kennelijk met Hollandse zuinigheid per kamer plande) bouwde een nieuw huis: Hansje.

Op het zakelijke vlak ging het hem goed. Heel goed, werd altijd verteld en als ik dat hoorde voelde ik trots. Zijn grote slag sloeg hij in 1920 met de bouw van de Jaarbeurs. Die moest klaar zijn vóór de grote beurs werd gehouden, maar toen de plannen hiervoor ter sprake kwamen was de resterende periode zo kort dat geen enkele aannemer de gok waagde. Opa wel en door als eerste met een drieploegensysteem te werken lukte het hem dat karwei te klaren. Daarmee was zijn naam gemaakt en had hij aan werk geen gebrek. Zodanig zelfs, dat hij als 41-jarige in 1927 kon gaan rentenieren in Nederland.

"Was hij toen miljonair, pa?", vroeg ik toen ik dat als jongen hoorde.
"Nee, een miljonair was iets dat nauwelijks voorkwam. Je had het in die tijd over een tonnair. Maar vergeet niet dat je van 400 of 500 gulden in de maand volkomen royaal kon leven. Huis, bedienden, auto, alles had je daar toen voor."
Tonnair dus. Wie dat woord vandaag de dag gebruikt als hij 100.000 gulden op zijn spaarbankboekje heeft staan wordt natuurlijk voor een opschepper versleten. Maar jarenlang had het een magische klank voor me en wou ik dat ik het maar was: tonnair.

Tante Rita werd in 1928 geboren. In Nederland. Daarom moest er voor haar ook een visum worden aangevraagd toen ze later weer naar Indië gingen. Want je bent dan wel één koninkrijk, verschil moet er toch zijn, vinden de ambtenaren. Dus een visum voor Nederlanders die naar Indië wilden. Niet voor tante Wies en pa, want die waren in Indië geboren. Maar in hun pas stond dan ook niet dat ze Nederlander waren. Nee, 'Nederlandsch onderdaan' was de vermelding. Toch even iets anders, voel je?

Trek hier een les uit kinderen. Je verrader en de ambtenaar slapen nooit. Al lijkt dat wel vaak zo.

Oma beviel het uitstekend in Nederland, maar het feit dat hij zich de arbeidsmarkt had uitgewerkt, maakte opa steeds onrustiger. Het liefst was hij weer aan de slag gegaan, maar hoe kleedde je een dergelijke mededeling in bij je familieleden die er net verdovend trots aan waren gewend dat zij nu ook iemand binnen de gelederen hadden die gefortuneerd 'in ruste' was gegaan?

Het lot hielp hem een handje. Nou ja, met handen als kolenscheppen. De beurskrach van 1929 maakte van vele gegoede kerkgangers degenen waarvoor zij zeiden te bidden. Ook opa moest weer opnieuw beginnen en ging te scheep naar Indië.
Mooi vond ik dan altijd de volgende strofe van het verhaal dat in de familie de ronde deed.

Toen de boot aanlegde stonden zijn vroegere mandoers hem op de kade op te wachten, zo graag wilden ze weer voor hem werken. Ook de rest van het personeel kwam de volgende dagen langs om zich aan te melden. Allemaal zo weggelopen bij hun toenmalige bazen om weer bij opa in dienst te komen. In het licht van de huidige arbeidsverhoudingen bezien een actie die als twijfelachtig zal worden beoordeeld, maar die indertijd nog met tranen in de ogen van ontroering werd ervaren als een blijk van hartelijke trouw.
Binnen de kortst mogelijke tijd draaiden de zaken als voorheen en was opa weer een gesettled man.
Zo zit dat dus een beetje met onze Indische roots. Nou, roots... rootjes. Zo Indisch is dat natuurlijk allemaal niet. Opa heeft er een tijd gewoond, evenals zijn kinderen. Oma, die had meer roots, want haar familie Bogaardt ging al rond 1760 naar die contreien. Eerst India, toen Batavia. Dus de getinte koppen op de familiefoto's kwamen toch van haar kant.

Als Hollanders een groot deel van hun leven in Indië hebben doorgebracht zie je het aan ze. Praktisch altijd. Hij mag nog zo'n Hollandse meneer zijn, hij krijgt toch iets Indisch' over zich. Gek toch; zouden Indische mensen die hier zijn opgegroeid ook iets herkenbaars kaaskopperigs over zich krijgen? Kan ik me niet voorstellen.

Woorden en gebaren kenmerken de Indische Nederlander. Het onderuitgezakt in een tuinstoel zitten, het ene been breed rustend met de enkel op de knie van het andere been, dat is de zit van de Indische tropenganger. Gesticuleert hij in die houding, dan rusten zijn bovenarmen rechtstandig via de ellebogen op de stoelleuningen en maken zijn wijdopen handen onderstrepende wegwerpgebaren. De Nederlander daarentegen gaat, in een poging overtuigend over te komen, enigszins gebogen rechtop zitten en maakt bewegingen met heel zijn armen. Rustig vurig betoog contra drukke overheersing.

Ook een verschil in wenken. De Nederlander die je gebaart te komen, houdt de onderarm horizontaal waarbij de rug van de hand naar beneden wijst. Door de vingers snel te buigen en met de hand een klappende beweging naar het lichaam toe te maken wordt aangegeven dat de ander wordt geroepen. Kan die juist wegblijven, dan wordt de hand hoger geheven en met de palmzijde naar de ander toe een wegwerpende beweging gemaakt.

De Indische Nederlander maakt deze laatste bedoeling duidelijk door de onderarm horizontaal te houden, de hand zo dat de duim naar boven wijst, en dan wegwerp/duwgebaren te maken. Het verzoek om te komen is tegenovergesteld aan het Hollandse: onderarm wel horizontaal, maar rug van de hand naar boven en met vingers en hand de klappende (neerwaarts gerichte) beweging te maken, dus juist tegenover gesteld aan de Hollandse manier.

Pa deed het ook zo en dat vroeg natuurlijk om misbruik. Eens, toen ik buiten speelde en nog lang geen zin had binnen te komen, wenkte hij me vanaf het balkon naar huis te komen. Ik ging steeds verder weg spelen. Pa wenkte nog heviger.
Een half uurtje later kwam ik binnen. Er was inmiddels gegeten.
"Waarom kom jij niet als ik roep?"
"Je wenkte dat ik weg moest gaan."
"Nee, juist dat je binnen moest komen." Pa deed het voor.
"Maar dat is toch weggaan?"
"Hij heeft het verkeerd begrepen, Hans", zei mijn moeder. "Op z'n Hollands betekent dat weggaan en op z'n Indisch komen. Dat weet die jongen niet."
Pa besloot het erbij te laten zitten, maar hij vertrouwde het niet, zag ik aan z'n ogen.
Want pa was niet stom.

Een verblijf in Indië had op iedereen wel uitwerking. Oom Ferdinand is er na de oorlog maar even geweest. Toch bleef hij mijn nicht verder troetelend kodok noemen. Vond ik altijd een heel gezellig klinkend koosnaampje. Dat nam iets af toen ik begreep dat kodok kikker betekende. Waarom noemde hij Tanja nou kikker? Omdat ze van die lange benen had, misschien?

En waaraan je ze ook kunt herkennen, de Indische Nederlander, is het bevestigingsgeluidje tijdens een gesprek: uhn, uhn. Niet met een open 'u' uitgesproken, zoals het woordje 'eh', maar een klank die via de neus naar buiten komt. Spreek maar eens uit met dichte mond; dat is 'm. En let maar op aan de telefoon. Ook al hoor je het verder niet aan ze: "uhn, uhn" laat weten dat je met iemand met ergens Indische roots spreekt.


Naar boven


5. Zakgeld in een sigarettenblikje
De hele week was hij weg, mijn vader. Het land door, contractpensions bezoeken. Want pa was contactambtenaar, zoals dat toen heette.
Hij ving de mensen op die aanvankelijk in Indië waren blijven wonen toen dat Indonesië was geworden, maar door de situatie daar later alsnog waren gedwongen naar Nederland te gaan.

"
Adoeh, so sielig ja," zeiden de tantes.
"Het moest er van komen," zeiden de ooms die als man de zaken meer rationeel benaderden en tevreden overzees blikten om daar de chaos te ontwaren die zij - kennelijk - altijd al hadden voorspeld.
Maar er moest wel wat met die mensen, want in Indonesië was het voor hen geen leven meer. En dus kwamen ze naar Nederland. Het was aan de ambtenaren van het Ministerie van Maatschappelijk Werk hen op te vangen en onderdak te brengen. Pa was een van hen, en bovendien nog de enige die Maleis sprak, wat een uitkomst was omdat sommigen geen Nederlands kenden.

Soms vertelde pa er geschokt over.
"Een heel gezin met vijf kinderen was het. Natuurlijk geen winterkleren en alles hadden ze achter moeten laten; alleen zó'n koffertje met spullen konden ze meenemen."
En hij wees met gehoekte wijsvingers en duimen een maatje aan dat het speelgoedkoffertje van mijn zusje en mij ook had. Het was de eerste keer dat tot mij doordrong dat armoede iets was dat niet alleen vroeger voorkwam.

Pa bracht de mensen onder in pensions, die in zo'n geval voortaan contractpension werden genoemd. Verder zorgde hij er voor dat de repatrianten kleren en zakgeld kregen. Zakgeld, voel je? Aan de ene kant was dat indertijd kennelijk een normaal woord, maar ik weet dat ik ook zwemen van schaamte voelde als ik eraan dacht dat mijn vader die mensen zakgeld moest geven. Alsof je een kind iets toestopt wat hij van een vriendelijke grote oom krijgt. Zakgeld is een extraatje, om iets voor jezelf te kunnen kopen. Maar van zakgeld kun je niet leven, daar moeten andere inkomsten borg voor staan.

Doordeweeks bezocht pa de mensen in de pensions. Om te zien op welke wijze zij verder konden worden opgevangen en om hun hun uitkering te geven. Het geld hiervoor had hij in een blikken sigarettendoosje. "Soms wel duizend gulden," hoorde ik mijn ouders een keer tegen elkaar zeggen. Een onvoorstelbaar bedrag in die tijd. Voor het behoud hiervan stond mijn vader tijdens zijn reizen met lijf, leden en leven in, stelde ik mij zo voor.

De pensionbezoeken gebeurden op een wijze waarover de latere minister van Verkeer en Waterstaat, de sterk het openbaar vervoer propagerende mevrouw Maij-Weggen, naderhand regelmatig climax-dromen had: volledig per trein en bus. Een auto hadden wij (natuurlijk) niet en het begrip 'dienstwagen' werd op Volkswagen Kever-niveau net voorgeproefd in de hogere ambtenarenrangen. Een tijd waarin het effectieve werktempo vanwege het openbaar vervoer ook duidelijk anders lag. Toen konden sous-chef en chef nog tegen elkaar zeggen:
"Bel heeft vandaag vier pensions bezocht."
"Die moesten we maar eens in de gaten houden, die Bel, want strebers, daar hebben we niets aan, Van Klaveren. Die verpesten hier de sfeer."
"Net wat u zegt, meneer Zoutenzuur. Ik zal de komende tijd zijn weekstaten nauwkeurig doorlopen."

Vaak was pa de hele week weg, om op zaterdagmiddag laat terug te keren. Feest was dat, die thuiskomst. En soms bracht hij wat voor me mee, zoals dat blikken treintje. Nu klinkt dat wat goedkoop, maar toen was iets van blik nog echt degelijk speelgoed.
Als ik doordeweeks aan mijn vader dacht zag ik hem in mijn verbeelding langs de pensions trekken in een soort Messiasrol, overal z'n sigarettenblikje tevoorschijn halend om de pensiongasten hun fooi, genaamd 'zakgeld', te geven. Met een flink gezicht om het schaamrood op z'n kaken te verdoezelen natuurlijk, omdat hij besefte dat je zo toch eigenlijk niet met mensen om kon gaan.

Na verloop van tijd, toen duidelijk werd dat het grote Holland lang niet zoveel zegeningen kende als in Indonesië was overgebracht en veel mensen nog zonder werk en huis zaten, werd de stemming soms grimmiger. Pa was niet bang uitgevallen, maar de keer dat iemand in een Limburgs pension dreigde hem een originele zig-zag-steek met zijn kris te bezorgen als hij niet subiet een zakgeldverhoging kreeg, maakte toch indruk. Een enkele keer, zo hoorde ik later, werden vrouwelijke charmes in de strijd geworpen om hem genereus te stemmen.
"Mevrouw Van Poel, waarom staat u mij in een openvallende kamerjas te woord?"
"Ach, meneer Bel, het is warm weer en ik dacht: moét het altijd zo strikt formeel?"
"Nee, mevrouw Van Poel, dit kan ik niet toestaan. Op deze manier moet ik het gesprek als beëindigd beschouwen." En met een ferm gebaar sluit pa zijn sigarettenblikje en doet de papieren bescheiden in zijn tas. In zijn ogen blikkert een standvastige schittering.
Zo ongeveer stelde ik mij dat voor.

Leuk was wel dat hij door zijn werk veel mensen had leren kennen. Soms kwam hij die jaren later weer tegen. Dan liepen we in de stad en werd pa opeens aangesproken door iemand die hij indertijd aan werk of een woning had geholpen. Daar stond ik dan een beetje trotsig naast. En pa, die niet meer dan gewoon de ambtenaar was geweest die zijn werk had gedaan, werd door hen behandeld met de égards die men een weldoener verschuldigd is. Wie ziet op welke wijze veel ambtenaren van Sociale Zaken vandaag de dag door hun cliënten worden benaderd, kan zich dat moeilijk voorstellen, maar toen was dat nog zo.
Misschien dat een ander aspect dat beeld bij mij heeft versterkt. Mijn vader is 1.90 meter, een lengte die hem ruim boven verreweg de meeste Indische mensen deed uitkomen. Tijdens een gesprek op straat keken zij dus letterlijk tegen hem op.

Naar boven

 


6. Discriminatie

- Het is geel en heeft een IQ van 144
- ????
- Een bus vol Belgen.
Het is een oude, maar dat maakt niet uit, want wij houden wel van een goede Belgenmop. Maar vervang nu het woord Belgen eens door joden of negers. In dat geval is de kans niet denkbeeldig dat de gastheer van het feestje waarop je deze grap ventileert je snel apart neemt en toesist dat hij weliswaar ruime opvattingen heeft, maar discriminatie niet op prijs stelt. Je kunt dan wel tegenwerpen dat het, objectief bezien, bij een mop in principe niets uitmaakt of de naam van het lijdend voorwerp Sam, Moos, Marie of Klaas is, maar helpen doet dat niet echt. Dat weet hij ook wel, zegt de ander, inmiddels wat korzeliger, maar daar gaat nu even het niet om. Waar het wel om gaat legt hij niet uit, als je dat niet begrijpt, kun je beter vertrekken. Want van discriminatie houdt hij niet.

In Nederland bestond geen discriminatie, dacht ik vroeger altijd. Je hoorde er wel eens over dat gekleurde mensen anders werden behandeld, maar in mijn omgeving kwam dat toch niet voor. Ik kon het me tenminste niet voorstellen.
Ja, in Amerika. Daar werd gediscrimineerd, vooral in het zuiden. President Kennedy had er de grootste moeite om gelijke rechten in te voeren. Wekenlang werden de televisiebeelden beheerst door het nieuws van zwarte kinderen die op een 'blanke' school moesten worden toegelaten. Dan kwam er zo'n typische Amerikaanse schoolbus voorrijden waaruit een groepje van zeven zwarte dapperen stapte dat meteen werden omringd door gehelmde politiemensen. Van de Nationale Garde, want de plaatselijke politie had die kinderen het liefst opgehangen. En met geheven knuppels werd deze beveiligde zwarte bal mensen dan de school ingeloodst. Dwars door een razende menigte waarvan een deel van de volwassenen nog niet zo lang daarvoor in Europa jodenhaters hadden bestreden die net zo fanatiek waren. Maar die heetten toen fascisten.

Toch altijd een beetje gek gevonden. De gelijke rechten bestonden wettelijk nog maar koud of Amerika begon met luidkeelse verontwaardiging het apartheidsregime in Zuid-Afrika te veroordelen en te boycotten. Terwijl op dat moment in het zuiden van de Verenigde Staten zelf nog steeds rassenonlusten voorkwamen en mensen met witte pijen en puntkappen vandaag de dag nog openlijk eng mogen doen.

Maar bij ons in Nederland kwam dat niet voor. Nikkertjes - mocht je toen nog vertederd zeggen - kwamen tegen begin december in gezelschap van een goedlachse bisschop ons land binnen en wat nu buitenlandse werknemers zijn konden toen nog gastarbeiders - in de ware zin van het woord - worden genoemd. Verder waren de enige gekleurde mensen degenen die uit Indië kwamen, maar die zouden daar toch geen last van hebben, van discriminatie, dacht ik altijd. Want dat waren toch gewoon Nederlanders?

Ach ja, als ik graaf vind ik iets terug van een andere behandeling. Op de markt bij het Hobbemaplein deden de kooplui soms wat kribbiger tegen de Indische mensen. "Ze zijn allemaal goed hoor, mevrouwtje!" riepen ze als het fruit werd opgepakt om te bekijken. Want Indische mensen voelen meer aan de spullen voordat ze wat willen kopen, vertelde mijn moeder.
"En ze willen tawarren."
"Tawarren?"
"Ja, afdingen op de prijs. Dat zijn ze van de pasar in Indië gewend. Daar móet je tawarren."

Nou, maar hier moesten ze er niets van hebben. Dat zag je aan de reacties. Zeker niet in de winkels, waar het ook nog wel eens werd geprobeerd. Maar ach, voor de mensen die net uit Indië kwamen waren dat eerder allemaal wat aanpassingsproblemen die bepaalde reacties opriepen, dan dat je van discriminatie kon spreken, dacht ik.

 

 Een enkele keer merkte je wel eens iets van discriminatie. 'De Katjangs' was een veelgelezen jongensboek. En zo bekend dat de uitroep "Vuile Katjangs!" wel eens in nijd werd gebruikt. Soms werd daar nog "Ga terug naar je land!" aan toegevoegd, een kreet die later meer voor Turken en Marokkanen werd gereserveerd.
Ha, ha. "Ga terug naar je land", tegen mensen die Nederlander waren. Degenen die zoiets deden waren natuurlijk zo dom dat je er gewoon om kon lachen.

Misschien ben ik er blind voor geweest, maar bij de gedachte dat er wèl werd gediscrimineerd heb ik nooit echt stilgestaan. Nu is het natuurlijk zo dat discriminatie pas de kans heeft de kop op te steken als zich in de omgeving elementen bevinden die vreemd zijn aan het eigen milieu. En in Den Haag werd ik door zo'n groot deel Indië (familie, vrienden, repatrianten) omringd dat die situatie voor mij niet bestond. Bovendien zou ik het pas kunnen waarnemen als ik zag dat een ander zo werd behandeld. Zelf heb ik geen zweem van een Indisch uiterlijk, dus tegen mij zouden ze toch niets zeggen. Ja, stomme kaaskop werd ik eens door iemand genoemd. Maar dat was dan ook een domme Indo.

Jaren terug vertelde Marion Bloem in een radioprogramma hoe zij tijdens haar jeugd in Nederland werd gediscrimineerd. Was dat nou zo, schrok ik in mezelf op. Kom, kom, dat zal toch wel een beetje zijn meegevallen? Maar nee, Marion haalde in haar betoog fel door. Alsof ze in een wegsprintende sportauto zat. Hang, hang! Van de eerste zo naar de vijfde versnelling. Geen twijfel mogelijk dat ze dat echt had meegemaakt.

Opeens werd me duidelijk dat zij in die tijd in Arnhem woonde. Weinig katjang, veel kaas daar toen, waarschijnlijk. In tegenstelling tot Den Haag. En Den Haag mocht dan wel een Indisch centrum zijn, maar het was toch maar een klein deel van Nederland. Gek, dat je daar pas na zoveel jaar bij stilstaat.

Naar boven


7. Indisch eten

"Is dat een kind van jou, Hans? Hij lust niet eens rijst."
Vernederend, maar waar. Ik, zoon van Hans Bel, neefje van vele Indische tantes en ooms, lustte een tijdlang geen Indisch eten. Ja, wel een beetje, maar niet echt. Liever aardappelen of patat dan rijst.

En het begin had er zo veelbelovend uitgezien. Want toen ik nauwelijks kon lopen moesten mijn ouders de sambalpot verstoppen. Als ik die te pakken kreeg likte ik het rode goedje er namelijk vingersvol uit. Heb ik nu nog die enorme dorst van.
Maar dat was zeker snel afgelopen, want ik kan me niet anders herinneren dan dat ik als kind niet van Indisch eten hield. Gruwde daarom van het weekend, want dan aten we altijd rijst of bami. Bami was natuurlijk Chinees', maar dat trok ik op één lijn met Indisch. Twee dagen bwaaggh. Dan had ma vrij en kookte pa voor de zaterdag en de zondag. Want dat was het makkelijke van Indisch. Eén keer goed werken en je had voor dagen eten in huis. Je hoefde het alleen maar op te warmen. Bovendien waren de kruiden dan beter ingetrokken. Sajoer móest je ook een dag van tevoren maken, dan smaakte het beter.

Wat ik als enige gerecht wel lekker vond was de nasi goreng van mijn vader. Ik zie hem nog met zijn blauwe schort aan de rijst omscheppen, terwijl hij die kleine visjes erbij deed. Pietluttig kleine zilveren visjes, misschien maar een centimetertje lang. En die at je helemaal op, met ogen en darmen en al en de poep er nog in, want dat dat niet viel te fileren begreep ìk nog wel.
"Hoe heten die visjes, pap?"
"Ikan Tri, jongen."
"Grote ogen hebben ze, hè."
Als je ergens nasi goreng gaat eten zie je ze niet, die Ikan Tri. Schrikt zeker teveel af, al dat eten dat je zo aan ligt te kijken.
Mooi was het wanneer in de wadjang de kroepoek werd gebakken. Als zo'n hard oranjebruinig schijfje in de gloeiende olie gleed en zich dan eerst kreperend zwellend samenkrulde om daarna, bij wijze van overgave, helemaal open te flappen om tot ultieme lengte te strekken. Kroepoek: heerlijke, grote Indische chips.

Voor Indische ingrediënten moest je natuurlijk naar een toko toe, in die tijd.
Vandaag de dag bezoekt een in snel pak gestoken vertegenwoordiger wekelijks de supermarkt om de stand van zaken rond bami, rijst, gebakken kroepoek en allerhande kruiden weer op peil te brengen. Maar in de jaren vijftig moest je nog echt bij een speciaalzaak zijn. Als je toen bij de groenteboer om rijst vroeg, kreeg je te horen dat dit een groenten- en fruithandel was en geen exotische uitdragerij. Vandaag de dag dealt zo'n man zowat in allerlei soorten motorolie, maar vroeger was dat nog anders. Zeker in de tijd dat ze er nog bijna niet waren, de toko's.

"Waar ging jij toen naar toe, pa?"
"Naar Toko Batawi op de Koningin Emmakade. Die zat er al van voor de oorlog; in een gewoon woonhuis. Er waren toen nog nauwelijks toko's."
Als hij van zijn werk kwam dus eerst op de brommer langs Toko Batawi om van alles te halen.
In de Zuidlarenstraat zat vishandel Moerkamp. Achter de etalageruit was een blauw betegelde bak met water waarin volop paling kronkelde. Daar kon ik tijdenlang gefascineerd naar kijken.
Had iemand zijn keus gemaakt dan greep Moerkamp in de wriemelende massa om de uitverkorenen vervolgens vakkundig de strot door te snijden en te verpakken. Dat laatste moest goed gebeuren, want ze bléven kronkelen ("Verser kunt u ze niet krijgen, mevrouwtje").
Begin jaren zestig zette de toko-trend in. Vooral vishandels schenen hiervoor geschikt te zijn. En dus werd Vishandel Moerkamp nu Toko Moerkamp. En Vishandel Toet op de Beeklaan voortaan Toko Toet. Klonk vertrouwd Indisch: Toko Toet. Voor mij natuurlijk helemaal, omdat ik een tante Toetie had. Nu was Toet wel gewoon een Scheveningse naam, maar toch, het oor wil ook wat.
Toen de toko's zich ook in de min of meer nabije omgeving hadden gevestigd, kwam ik er regelmatig met ma om boodschappen te doen. Dan kon je zo heerlijk het buitenland opsnuiven.

"En dan nog wat seroendeng en dan heb ik het wel."
Ma loopt het allemaal nog even na, het rijtje gekochte waren op de glazen plaat van de toonbank voor haar. Kroepoek, nòg een bruine papieren zak met andere kroepoek, taugé, een fles ketjap, "en dat, en dat, en dat..." mompelt zij ondertussen voor zich uit. Ja, zij heeft alles. Wat krijgt u van mij? gaat ze nu vragen.
"Wat krijgt u van mij?"
Mannen hebben vaak een stoerdere slotvraag. "Wat is de schade?" vragen, nee, zèggen ze dan en grijpen quasi royaal met een wijds armgebaar naar hun achterzak, waar dan een door het zitten gladgekromde portemonnee uitkomt. Wij laten ons niet kennen, omschrijft deze poespas.
Het Indische vrouwtje schuift ratelend de hendels van de kassa in de juiste cijferpositie en draait aan de slinger opzij. Met een harde bel-ting springt de lade open en achter het glazen venstertje schieten bordjes met cijfers omhoog: * 9,80. Alsof de kür van Sjoukje Dijkstra wordt beoordeeld.
"Dat is dan * 9,80, alstublieft."

Zinnen en handelingen uit de jaren vijftig. Vijfendertig jaar later zullen we niets meer zeggen, maar stilzwijgend ons mandje boodschappen overhandigen. Meteen afrekenen is er dan ook niet meer bij, want de kassala gaat niet meer op gewoon fysiek commando open. Daarvoor moet de plastic kast eerst een tijdje piepen en een lap papier braken. Maar dan kun je het thuis nog wel eens gezellig nalezen allemaal.
"Ach, ik ben nog wat knoflook vergeten. Kan dat er nog bij, een paar bolletjes?"
"Natuurlijk, mevrouw. Kijkt u eens. Dat maakt bij elkaar * 10,20"
Vier blauwe papieren rijksdaalders met een matrone-achtige koningin Wilhelmina erop en nog wat kleingeld verhuizen naar de hand van het vriendelijk glimlachende Indische besje aan de andere kant van de toonbank. Ze is nog kleiner dan ma, die maar 1 meter 55 meet. Ongelooflijk eigenlijk voor een volwassen mens. En Pygmeeën schijnen nòg kleiner te zijn. Maar dat zijn natuurlijk de besten, die bruine kreukelvrouwtjes. Kunnen ook ongelooflijk lekker koken. Daarom hebben ze natuurlijk een toko.

 Oók iets van vroeger eten: de rantang. Allemaal metalen op elkaar gestapelde bakjes met bovenaan een handvat. Als je Indisch eten haalde deden ze in ieder bakje een gerecht. En dan kon je die lange sliert makkelijk op de brommer of de fiets meenemen. Thuisbezorgen deden ze ook. Dan kwam een autootje voorrijden waaruit een man stapte die een lange rantang pakte en vier hoog de trappen opging. Dan zat je bij wijze van spreken al met het servet om de nek en het bestek in de hand aan tafel te wachten. Alleen maar aanpakken, betalen en hup, de bakjes met gerechten loshaken. En de volgende dag werd de rantang weer opgehaald. Alles is beter in deze tijd, maar díe service bestaat toch niet meer.

Het is alsof ik een beetje verraad pleeg aan mijn geboorteland als ik zeg dat er een merkbaar verschil was tussen eten bij Indische of Hollandse mensen. Toch is het waar: Indische mensen stralen een warmte en gezelligheid uit die Hollandse huizen en haarden nog wel eens missen. Als je bij Indische vrienden was, werd over het algemeen toch het aanbod gedaan ook te blijven eten. Gewoon, automatisch. En daar hoefde je ook helemaal niet schuw op te reageren. Nee, je kon je ouders bellen en zeggen dat je bleef eten.
Bij Hollanders lag dat moeizamer. De porties waren eerder die dag bij de groenteboer nauwkeurig afgewogen en daar zat weinig of geen rek in. Natuurlijk waren Indische mensen op dat punt in het voordeel. Zij maakten soms voor dagen eten vooruit en hoefden hooguit het vuur op te draaien onder nòg een pannetje dat toch al gereed stond. Bij een vriend thuis hadden ze tien kinderen, velen met vrijersaanhang. Dat betekende dat er de hele dag wat stond te pruttelen op het fornuis. Wilde je tijdens je bezoek niet onbeleefd overkomen dan moest je daar wat uitscheppen. Lekker, maar het gaat niet om het eten. Het gaat om het gebaar en de gezelligheid.


Naar boven



8. Er is er nog één

Er is er nog maar één over, van de foto. Tante Pia. Ze zit vooraan links en is inmiddels 90 jaar*. Dè (oud-)tante van de familie.

"Doe nog eens, tante."
Tante Pia doet het nog één keer, de truc met het dubbeltje. Ik begrijp wéér niet hoe ze het doet, hoe dat dubbeltje kan verdwijnen. Het komt pas weer tevoorschijn als tante haar andere hand omdraait en het daarin blijkt te zitten.
Ik ben maar één van de vele achterneven en -nichten van tante. Maar ze zullen het zich allemaal herinneren. Hoe tante Pia, als je op bezoek was, op een gegeven moment een dubbeltje uit haar portemonnee pakte en zei: "Dit dubbeltje kan ik laten verdwijnen". Ze hield het kleine zilveren rondje tussen duim en wijsvinger om je duidelijk te laten zien dat het echt was en er niets in de mouwen zat. Als een heuse goochelaar. Werd je wantrouwig, dan deed ze het ook met opgestroopte mouwen, net zo makkelijk.

"Let goed op, Gerrit Jan."
Tante Pia pakt het dubbeltje wat vaster beet en slaat het met een boog op de rug van haar linkerhand die in haar schoot rust. Nog even stevig aandrukken met de vlakke andere hand, om het goed vast te houden. Nee, dat dubbeltje komt daar nooit tussenuit, weet ik met alle zekerheid die mijn al zevenjarig leven me heeft geschonken.
Maar als tante Pia haar hand wegdoet is er geen dubbeltje op de rug van haar rustende hand. Hoe kan dat nou?
Tante lacht. "Ik denk dat ik 'm er doorheen heb gedrukt", zegt ze en draait haar linkerhand om. Als ze die opent ligt het dubbeltje erin.
Alle grote mensen om me heen lachen. Aanvankelijk zag ik dat als een soort vervangend applaus van bewondering voor deze tovenarij en lachte mee. Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik voel dat dit is omdat zij iets weten wat ik niet weet. Misschien kom ik er achter als tante Pia het trucje nog één keer doet.
"Doe nog eens, tante."
Tante Pia doet het nog een keer. Maar ik kom er niet achter.
De teleurstelling daarover was altijd kort, want dat dubbeltje mocht je houden. Voor de spaarpot, zei je braaf, maar tante liet merken dat ze daar niet op stond. Dus werd het dubbeltje omgezet in een punthoorntje met één bol aardbeien- of vanille-ijs erop. Opgediept door die kleine ijscoman die, als je op het eind van zijn route zat, via tenenwerk bijna helemaal in bak onder de zilveren hoorn verdween om onderuit nog je bolletje te schrapen.
Zo hield tante haar achterneefjes en -nichtjes bezig. En haar achter-achterneefjes. Want ook mijn kinderen hebben genoten van Het Dubbeltje Van Tante Pia. En pas toen ze het voor hen deed wist ik met bijna-zekerheid. Omdat ik, net als dear Watson, door jarenlang helder deduceren en concluderen voor mezelf had uitgedokterd hoe ze het deed. Het is dat ik het wist, want zien deed ik het eigenlijk nòg niet, zo gepolijst is tante er in. En zelf durf ik de truc niet te doen. Omdat ik bang ben dat door mijn aangeboren schutterige openheid mijn kinderen meteen doorhebben hoe het zit.
En dat mag nooit.

Lekker koken kon ze ook, tante Pia. Soms nodigde zij haar neven en nichten uit. Niet allemaal tegelijk natuurlijk, want dat was niet in haar huis te stouwen. Op aaneengeschoven tafels stonden dan tientallen schalen en bakjes en kommetjes.
"Tast toe, ja", was tantes officiële startschot voor dit culinaire feestje. En lekker! Zelfs voor mij, die niet zo van Indisch eten hield. Want uit al die schaaltjes kon je toch niet op, dus je nam alleen datgene wat je aanstond. Altijd goed, altijd raak. En "so gesellig, ja" vonden de tantes en ooms, zo allemaal bij elkaar. Dat vond ik ook. Lekker en een gezellige drukte waarbij tante het terechte middelpunt was. Dat kwam goed uit, want dan dacht ze er niet aan om te vragen hoe het met mij op school ging. Want tante was in Indië schooljuf geweest. In een school die open was had ik begrepen.
"Was die helemaal open vanwege het mooie weer, tante?"
"Nee hoor, je had een open galerij waarop de klaslokalen uitkwamen. En de deuren daarvan stonden ook vaak open."
Maar eens een schooljuf, altijd een schooljuf. Dus informeerde ze bij ieder neefje of nichtje dat op bezoek kwam hoe het op school ging. Tijdens de lagere school-tijd was dat geen bezwaar, daarna werd de toestand nijpender. Tante had dat goed in de gaten, maar liet niet los, daarbij de gêne van pa en ma negerend. Gelukkig hadden die nog een dochter om in erge noodgevallen naar voren te schuiven.
"...Maar met Ineke gaat het gelukkig heel goed op school, tante."
"O ja? Vertel eens, Ineke."
Na een lange tijd van luctor liet tante mij met een laatste waarschuwende blik psychisch los en kon ik emergo. 

Tante Pia was klein. Maar zeker niet over het hoofd te zien. Vandaag de dag lijkt zij nog kleiner. Met een stok beweegt zij zich voorzichtig voort. Maar wij zien haar nog steeds niet over het hoofd. Ze is de laatste onzer familie-Mohikanen. Straks misschien iemand anders. Maar nu nog altijd tante Pia. De laatste van die zo bekende vier-generaties-familiefoto.
Het is een echte Foto. Geen prent die later met het vertederwoord 'kiekje' werd aangeduid, maar een echte Foto.
Voor zoiets werd natuurlijk een afspraak gemaakt met de fotograaf en iedereen hield hiermee rekening. "Nee, dan kan ik niet, want dan komt de fotograaf langs voor een Foto."
"Gaan jullie op de foto?"
"Jazeker, ik denk dat dat toch al gauw weer een jaar geleden is geweest, dat we op de foto gingen."
Ja, dat is heel anders dan nu.
"Gezellig zo met mekaar, hè jongens. O, Wim, neem eens gauw een foto. Arie doet zo gek met z'n pijpje pils. Even houden zo, hoor Arie."
"Moet ik nou m'n stoel uit? Trouwens, we stikken toch zo langzamerhand van de foto's waarop Arie gek staat te doen met pijpjes pils, knakworsten, bloemkolen en wat al niet. Bovendien zou ik zo gauw niet weten waar het fototoestel ligt."
"Nou, dan maar niet."

Maar toen was de foto nog geen doe-het-zelf-artikel. Gesteven en gestreken werd iedereen in pose gezet. Niks geen argeloze snapshot, dit was ernst. Alleen al het bloemstukje links getuigt hier van. En zo zien we dan een vier generaties-mix van de Van Bronckhorsten en Bogaardts.
Het draait om de middelste rij. Rechts zit overgrootmoeder, zelf een Van Bronckhorst en getrouwd met overgrootvader Bogaardt. Links haar moeder en in het midden weer haar moeder, bet-bet-overgrootmoeder Philips.
Fascinerende foto. Je kijkt toch maar liefst zes generaties terug. Achteraan van links naar rechts tante Ietje, oom Ferdinand, tante Anna, Dora (mijn oma) en haar zussen tante Toetie en tante Ellie. Nog zo jeugdig, maar ach, allemaal al dood. Zelfs de voorste rij heeft het tegen de tijd moeten afleggen. Alleen dus tante Pia (zittend links) nog. Oom Henrie (rechts) werd helemaal niet zo oud en oom Broer, dat kereltje met die lange pijpenkrullen, is ook al zo lang dood. Zijn broer, oom Archie, had later nog langere pijpenkrullen, zag ik op de trouwfoto van opa en oma, waar hij als bruidsjonker figureerde.

Vond ik wel leuk, oom Archie met zulk lang haar. Later werd hij immers, met een inmiddels hoog langs de flanken opgeschoren kop, burgemeester van Rijswijk en of hij het waardeerde als 'zijn' ambtenaren met lang haar liepen valt te betwijfelen. Ha, die oom Archie. Zeker nooit wat gezegd van zijn jeugdfoto's.
Tante Ietje en tante Anna waren de zusters van overgrootmoeder, dus de tantes van oma. Dat zou je zo in eerste instantie niet zeggen, maar overgrootmoeder was ook pas zestien jaar toen ze trouwde en net zeventien toen ze oma kreeg. Overgrootvader werd als vijfentwintigjarige bruidegom naderhand toch enigszins als een bok gezien die dit groene blaadje niet kon laten liggen. De zin "Opa zag oma hoepelen en kreeg wel trek in haar" deed in ieder geval regelmatig de ronde in de familie.

Overgrootmoeder was een Van Bronckhorst. Hoe lang die familie al in Indië zat werd nog eens duidelijk toen oom Wil na de oorlog een Van Heeckeren ontmoette. De achternaam Bogaardt zei de man nog niet zo veel, maar toen oom hem vertelde dat zijn grootmoeder een Van Bronckhorst was kwam de herkenning in zijn ogen. In vroeger eeuwen waren de geslachten Van Bronckhorst en Van Heeckeren in de Gelderse contreien veelvuldig met elkaar in conflict. Het kwam zelfs tot een duel. Wiens rapier daarbij het snelst was, is niet meer duidelijk, wel dat voorvader Van Bronckhorst vlak daarna naar De Oost vertrok.
Want duels waren officieel verboden en degenen die daarmee in de fout gingen konden beter uit het zicht van de officiële instanties blijven. Dat was in het begin van de zeventiende eeuw en daarmee hadden de Van Bronckhorsten het - gezien de omstandigheden - enigszins twijfelachtige genoegen een van de eerste Nederlandse Oost-Indië-generaties te worden.

Gelukkig, toch nog ergens via via een half druppeltje blauw bloed in de aderen. Want je geeft er wel helemaal niets om, natuurlijk. Maar toch leuk... stiekem. Alleen maar als curiositeit, hoor.

* Dat gold op het moment dat deze tekst werd geschreven (1992).

Naar boven


9. Een rondje om het dorpsplein

Iets om jaloers op te zijn: het rijbewijs van mijn vader, waarin alle vakjes - op één na - waren afgestempeld. Alles mocht hij besturen: personenauto's, vrachtwagens, bussen, alles. Al wilde hij met een tank op stap. Dat bleek duidelijk uit de omschrijving bij categorie C: "Motorvoertuigen, niet zijnde motorvoertuigen van categorie D (dat waren dus bussen waarmee meer dan 8 personen konden worden vervoerd) waarvan het ledig gewicht meer bedraagt dan 3500 kg, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers, waarvan het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen, niet meer bedraagt dan 750 kg.". Duidelijke taal. Alles dus, alleen in de A voor de motorfietsen was een gat geknipt.

O, wat had ik een bewondering voor mijn vader die zo'n ervaren autorijder was. Bovendien gaf hij les aan tante Rita. Dat kon toen nog. Als je drie jaar je rijbewijs had en de handrem van de auto tussen de voorstoelen zat mocht je les geven. Dubbele besturing was dus niet nodig, dat hadden alleen de èchte rijscholen.
De handremmen van nu zijn zeker niet meer wat ze zijn geweest, want probeer daarmee vandaag de dag maar eens een noodstop te maken als je met een vaartje van 40 km rijdt. Maar toen was dat duidelijk geen probleem. Tante Rita kreeg zonder deuken en krassen les en haalde vrolijk de eerste keer haar rijbewijs. Dat had pa goed gedaan.

Ma moest ook haar rijbewijs, maar die gaf hij wijselijk geen les. Beseffend dat er in een huisgezin harmonie moet heersen liet hij die taak over aan oom Henk, die officieel rij-instructeur was en wèl een wagen met dubbele pedalen had. Omdat oom geen zin had iedere keer van plaats te verwisselen bestuurde hij, als hij een leerling had afgeleverd en vervolgens alleen verder reed, de auto graag vanaf de bijrijdersstoel. Onderhands. Dus voorbijgangers zagen een lege bestuurdersplaats met een stuurwiel waarop geen handen rustten en een stoïcijnse oom Henk ernaast door de stad karren.
Een agent op een fiets - stopte je toen nog voor - hield hem eens aan en vond, toen hij zag hoe de zaak in mekaar zat, dat oom Henk eigenlijk op de andere stoel moest zitten. Nee, zei oom, er staat nergens in de wet dat dat moet. En hij trok op, een machteloze diender achterlatend.

Maar als er iemand rijervaring had was het toch wel pa, want die had dus - bijna - alle rijbewijzen.
"Hoe lang heb je daarover gedaan, pa?"
"Een half uurtje, jongen."
"Een half uur???"
"Als je in Indië je rijbewijs wilde hebben ging je naar het politiebureau. Daar lieten ze je een rondje om het dorpsplein rijden en als dat goed ging was je geslaagd. Ik mocht zelf zeggen welke rijbewijzen ik wilde hebben, dus heb ik ze allemaal laten invullen. Alleen die motor niet, want daar gaf ik niks om. Dat vind ik nou wel jammer. Maar je rijbewijs ging je toen letterlijk nog halen, ja."

Machtig land, Indië.

Naar boven


10. Maleis praten
Als wij niet mochten weten wat er werd besproken deden ze het, mijn ouders. Maleis praten. Gemeen vond ik dat. Ze hadden het waarschijnlijk over jou (dacht je natuurlijk altijd), maar je kon niet meer doen dan er machteloos bij zitten.
".... ......... ......... ... ............... ... ....."
"Ma, wat zeggen jullie nou?" Op zeurderige toon. Dus: mahaah, wat zeggen jullie nouhouw?
"Je vader en ik hebben iets te bespreken. ...... .... ....... .... ......."
"Waarover?"                                                                                             
"Dat gaat jullie niets aan. ..... .......... ..... .........."
"Nou, ik vind het stom, maar ik versta jullie best hoor."
".... ........ .. ............. .... ......... ....."


Vijf minuten later.
"Gerrit Jan, geef me even mijn obat."
"Ik versta geen Maleis, pap."
"Geef me m'n obat of je kunt een Hollandse lel om je oren krijgen!"
"Alsjeblieft, pap. Hier is je medicijn."

Vooral pa gebruikte regelmatig Maleise woorden. Dat doet hij nog. Het gaf het huiselijk leven een bepaalde charme, vond ik. Toch een beetje Indië, zo midden in Holland. En het klonk ook vaak veel leuker. Sinaasappel is een echt droog woord (sinááásappel, hoor je?). Daarom gebruikt ook iedereen het (niet-bestaande) sinasappel. Daar zit al sap in. En nou djeroek. Ah, djeroek. Dat is geen stomme sinááásappel, maar echt een vrucht vol met vlees en sap, proef je?

Banaan, komkommer, kip, spuitwater. Het zijn allemaal woorden die het qua gezelligheid afleggen tegen hun Maleise equivalent pisang, ketimoen, ajam en ajer blanda. Mits natuurlijk uitgesproken met de Indische klemtoon (klemtóón, ja).
De Indische Nederlander drukte jarenlang een nadrukkelijke sfeerstempel op het taalgebruik. Maar met het verstrijken van de jaren ebt dat wat weg. Zoiets is toch niet tegen te houden.
Maar het klonk zo gezellig.
"Ach, so kassian, ja" zei tante als ze medelijden had. En "Nou ja, soedah" wanneer ze de zaak verder wilde laten rusten. Zag ze graag dat je zonder zeuren een klusje voor haar deed, dan was het "Ajo, doe nou even, ja". Als je weet hoe dat wordt uitgesproken kùn je niet weigeren.

Trots was ik op mijn vader, dat hij vloeiend Maleis sprak. Nou, vloeiend. 'Pasar-Maleis', zei hij. Een taaltje waarmee je op de markt terecht kon. Net zoiets als steenkolen-Engels, dus. Maar toch, hij kon zich redden, terwijl mensen die echt uit Indië kwamen dat soms niet konden, zo bleek.
Op school zat Kareltje bij hem in de klas. Die heette heel anders, maar dat was zo'n moeilijke Javaanse naam dat hij Kareltje werd genoemd. Kareltje was een zoon van de soesoehoenan van het vorstendom Solo dat in midden-Java lag. Een soesoehoenan was een rang hoger dan sultan, had pa wel eens opgevangen. Kareltje was dus een prins en hij sprak drie Javaanse talen, eigenlijk meer dialecten. Een gebruikelijke noodzaak, want door het klassenonderscheid sprak een meerdere met andere woorden tot een mindere. Hij gebruikte dan een 'lager Javaans'. Andersom gebruikte een mindere hoger Javaans om een meerdere aan te spreken.
Maar niet overal op het grote Java kon je hiermee terecht, want er werden vele talen gesproken. Gingen pa en Kareltje bijvoorbeeld samen naar de markt, dan stond zijn vriend met een mond vol tanden en trad pa als tolk op. Want Maleis sprak de prins van Solo niet, dat was een heel andere taal. Dat vond ik vroeger toch wel wat, mijn vader als tolk voor een prins.

Nog bizarrer was het na de oorlog. Vanwege het nationaliteitsgevoel werden Indonesiërs toen geacht onder elkaar het officiële Bahassa Indonesia te spreken. Zoiets gaat goed met kinderen die met zo'n taal opgroeien, maar die paar honderd miljoen andere Indonesiërs hadden er - als ze het al niet als een door de strot geduwd prestigeobject ervoeren - flink wat aanpassingproblemen mee. Van het Bahassa werd in het dagelijks leven met hetzelfde enthousiasme gebruik van gemaakt als Groningers of Limburgers dat doen met Algemeen Beschaafd Nederlands. Men kende z'n eigen taal, het gewone Maleis en vaak Nederlands. Soekarno, die een oratorische uitstraling bij het volk zeker niet kon worden ontzegd, hield honderden toespraken in het Bahassa, afgesloten met een ovationeel applaus van zijn toehoorders waarvan het grootste deel nooit heeft begrepen waarover het ging. Officieel is nu eenmaal per definitie nooit makkelijk.

Daar wist ook oom Wil van mee te praten. Hij werkte na de oorlog bij Sociale Zaken in Bandoeng, waar in het ene gebouw de zaken van de Hollanders werden geregeld en in het gebouw aan de overzijde van de straat die van de Indonesiërs. Want dat werd gescheiden gehouden. De correspondentie tussen deze twee afdelingen moest officieel in het Bahassa gebeuren. Dat kenden oom Wil en de andere Hollanders natuurlijk niet. Dus lieten ze alles vertalen en vervolgens aan de overkant bezorgen.
Maar ook aan Indonesische zijde bleek het officiële Bahassa een struikelblok en werd alles weer in het Nederlands vertaald.
De achterstanden bij beide afdelingen waren groot.

Pa zat ondertussen iets verderop bij Volkshuisvesting. En daar ontmoette hij Kareltje weer, die op zoek was naar een woning. Omdat ook hier aparte afdelingen bestonden stelde pa zijn schoolvriend voor aan degene die zich bezighield met de 'Indische kant', een Sundanese bestuursambtenaar, die uitstekend allerlei Sundanese talen, maar geen Javaans sprak. Wel Hollands, maar als Indonesiër werd men dus niet geacht hierin te converseren.
"Dat wordt Bahassa," fluisterde pa nog net fijntjes tot Kareltje voordat hij een stap terzijde deed om zijn vriend de kans te geven zijn talenten te ontplooien. Omdat Kareltje Indisch recht had gestudeerd, en daarbij ook Bahassa had gehad, ging het nog redelijk. Zij het dat het niveau hiervan dezelfde uitstraling had als dat van scholieren die na een paar jaar Franse les voor het eerst in Frankrijk boodschappen doen.
De Soendanees had het nog moeilijker. Die begreep namelijk geen jota van wat er werd gezegd, maar zag wel het moment naderen dat hij moest antwoorden. Pa maakte toen bij beiden een goede beurt door voor te stellen verder maar in het Nederlands te praten.

Minder scrupules had zijn oom Archie. Als Indoloog kende oom wel wat Bahassa en toen voor hem het moment daar was om als minister van Sociale Zaken zijn departement over te dragen aan de Indonesiërs leerde hij een toespraak van 20 minuten uit zijn hoofd. Tijdens de officiële plechtigheid droeg hij deze gloedvol en vlekkeloos voor, waarna hij ging zitten om met een gezicht dat grote interesse uitstraalde het gestuntel aan te horen van degenen die zich nu genoodzaakt zagen ook in het Bahassa te antwoorden. Hij mocht daar later graag over vertellen.

Naar boven