Bij hoeveel Nederlanders die in Indië/Indonesië hebben geleefd, heb ik die sarongs en waaiers en Indische schilderijen met de eeuwige flamboyant aan de muur gezien. Als een teken van hun verlangen naar dit land.
En de batikkleedjes, het houtsnijwerk. Het gaf mij een vertrouwd gevoel. Ik stelde me dan voor dat deze voorwerpen ooit hun huis in Indië hadden gesierd. En omdat deze mensen een beetje geluk hadden gehad, konden zij dit allemaal meenemen naar Holland als een tastbare herinnering aan die heerlijke periode in hun leven. Hollanders zijn vaak nostalgischer wanneer het over Indië gaat dan Indische mensen. Die heerlijke sate! (met de klemtoon op te), de durian.
Bij Indische mensen is dat vaak anders. Er zullen zeker krissen en sarongs en beeldjes meegenomen zijn, maar ze werden niet altijd zo prominent tentoongesteld. Zij verbinden hun heimwee en herinneringen met muziek. Zeker de laatste twintig jaar hoor je bij het binnenkomen vaak al krontjongmuziek. Of muziek van Indische artiesten. Meestal geen gamelanmuziek.
Weet je, juist gamelanmuziek brengt voor mij herinneringen aan een tijd, vlak na de oorlog, toen wij dicht bij een kampong woonden. De straat hield gewoon abrupt op en dan begon de kampong met verharde paden en huisjes van gevlochten bamboe. En wanneer ik 's avonds in bed lag, onder de klamboe, hoorde ik in de verte zachtjes gamelan muziek. Kabbelend, sussend, geruststellend. Zo viel ik in slaap. Dit heb ik nooit aan iemand verteld, want er werd in die tijd niet naar gamelan muziek geluisterd door de Indische gemeenschap. Jazz klonk op de radio, cowboy muziek, Nederlandse liedjes. Eddy Christiani ken ik zo al zeker meer dan vijftig jaar.
Al vertellend moet ik weer aan de scheepskist van je vader op zolder denken. Daar had ik alles bewaard wat je later is nagestuurd uit Indonesië. Je weet, wij waren met verlof hier, toen de onlusten met Maleisië uitbraken en de Engelsen de gebeten hond waren en het land uit moesten. Daar hoorde je vader bij.
Die kist op zolder was voor jou een bron van spannend vermaak. Zoveel ingepakt in kranten en oude lakens.
De geur alleen al wanneer de kist openging. Dan voelde ik een intens verlangen naar mijn geboorteland. Op een dag zei je: Waarom zet je dit beeldje niet beneden neer? Vind je het mooi? vroeg ik. Ja, knikte jij. En dat werd dus het eerste voorwerp uit Indonesië dat op de schoorsteenmantel kwam te staan. Een beeld van een hanenvechter. Je hield er zelfs een spreekbeurt over.
Of ons huis daardoor een Indisch tintje kreeg? Misschien wel. Maar over onze heimwee naar dat land hebben je vader en ik nooit gesproken. Het was er, achter de muren van ons gevoel.
Column: Ik wist het wel
Ook al sprak je er nooit over, ik heb wel altijd iets gevoeld. Het beklemde mij. Bij Grootma was dat anders.
Zij had een schilderij van een boom aan de muur en daar vertelde zij mij over. Wanneer die boom bloeide, en dat zij ooit in een straat heeft gewoond met wel vier van zulke bomen links en rechts in de straat. Als die dan min of meer tegelijkertijd bloeiden, reed je onder een vlammend rood dak van oranjerode bloesems door.
Maar ik wil nooit meer terug vent, zei Grootma altijd.
Grootpa vertelde ook over Indonesië. Hij legde mij uit dat Indië en Indonesië hetzelfde land zijn. Net als Nederland en Holland, vroeg ik. Maar dat is niet zo. Holland is een provincie. Wanneer Grootpa over Indonesië sprak, voelde ik net zoiets als wanneer jij erover vertelde. Hij vertelde over de natuur, de sawa's, de waringin boom. Dat het een heilige boom is. Hij vertelde mij ook over het eten daar. Gudek, soto, semanggi, pecel. Grootma maakte wel eens soto, dus ik weet hoe dat smaakt. En Grootpa zei altijd: Op een dag gaat Grootpa terug, vent. Kijken of het huis van mijn ouders er nog staat. En het huis waar je moeder is geboren.
Jij moet er ook een keer heen gaan.
Maar jouw verborgen onuitgesproken heimwee heeft een weerstand in mij opgeroepen. Ik wil jouw geboorteland niet bezoeken. Of... veel later... misschien.
Column: Over heimwee
Indischman
In naarden bussum wilde ik wonen
aan een verstilde lindelaan
de vogels horen, op de heide
eenzaam de blanke paden gaan.
Daar ben ik naar de haard verdreven
sarong en waaiers aan de wand;
moeizaam de winters overlevend
droom ik van 't ander vaderland.
Dit schrijnend gedicht eindigt Willem Brandt met:
In bussum zal ik blijven sterven,
een regendag vol laatste eer.
En op mijn steen schrijven de erven:
Hij leefde hier, maar niet zozeer.
